| Refractiestoornissen (waarvoor
men een bril moet dragen)
Komen voor bij 20% van de kinderen.
De meest voorkomende stoornis is myopie of bijziendheid.
Deze afwijking geeft een vermindering van het gezichtsvermogen op
afstand, komt meestal op rond leeftijd van 10 à 12 jaar en
evolueert dan meestal tot rond de 18 jaar.
Hyperopie of verziendheid is zelden een probleem bij kinderen,
tenzij zij samengaat met strabisme. Bij hyperopie ziet men slecht
van dichtbij, maar daar de kinderen nog een zeer sterk en soepel
ontwikkeld accommodatievermogen hebben, kunnen zij die handicap
meestal overwinnen (behoudens bij uitgesproken afwijking).
Astigmatisme: Onregelmatige of ongelijke kromming van de
brekingsvlakken van het oog maakt het dragen van een bril dikwijls
noodzakelijk. Gaat het om een uitgesproken afwijking, dan kan deze
hoofdpijn of slecht zien veroorzaken.
|