| |
Bijwerkingen
De meest frequente bijwerkingen en complicaties worden hier genoemd.
Erg zeldzame worden niet genoemd, de lijst mag dan ook niet als
volledig worden beschouwd.
1. Litteken, en huidplooi
Tijdens de huidincisie wordt er getracht een nieuwe huidplooi te
creëren, of de huidplooi te houden indien deze op de juiste
hoogte staat. We trachten de incisie in de huidplooi te plaatsen,
zodat ze niet zichtbaar is wanneer u recht vooruit kijkt. Indien
u echter iemand bent die sneller littekens maakt dan iemand anders,
zal dit spijtig genoeg in het ooglid ook vaak het geval zijn.
Soms wordt er met deze operatie tevens overtollige huid verwijderd.
Vermits het ooglid nadien pas wordt opgetrokken, is het vaak moeilijk
tevoren perfect in te schatten hoeveel huid diende verwijderd te
worden. Het is dus niet onmogelijk dat er nadien in een tweede tijd
nog wat overtollige huid dient verwijderd te worden.
Na de ingreep kan het ooglid vaak enige tijd dik en gezwollen blijven.
Dit komt door een verminderde lymfeafvoer. Vermits de zenuwen van
de huid worden doorgesneden, is de gevoeligheid van het ooglid na
de ingreep ook vaak aangetast. Beide problemen lossen zichzelf meestal
op na enige maanden.
2. Over- en ondercorrectie.
In de beste centra bedraagt het slagingspercentage van een eerste
ptosisoperatie ongeveer 85 % Een heringreep is dus niet zeldzaam,
en valt op voorhand niet uit te sluiten. Soms moet er zelfs meerdere
malen worden ingegrepen.
3. Ptosis aan de andere kant
Wanneer u aan één kant een laaghangend ooglid hebt,
zal u dit onbewust trachten hoger te trekken. Hierdoor komt het
andere ooglid ook wat hoger te staan, hetgeen kan camoufleren dat
dit eigenlijk ook al te laag hing. Wanneer nu het laaghangende ooglid
gecorrigeerd wordt, heeft het geen nut meer om dit op te trekken,
en zal het andere ooglid opnieuw lager gaan hangen. Hierdoor komt
het dat na de ptosiscorrectie aan één zijde de andere
kant soms lager gaat hangen. In ongeveer tien procent der gevallen
is het dus nodig om, na de ptosiscorrectie aan één
kant, nadien tevens de andere kant te corrigeren.
4. Tranende ogen, of de gewaarwording van
een zanderig gevoel
Doordat het ooglid wordt opgetild, en er soms er een huid- en vetteveel
van de bovenste oogleden wordt verwijderd, zal de druk van het voordien
te zware ooglid op het oog veranderen. Hierdoor wordt de tranenfilm
anders over het oog verdeeld. Wanneer deze tranenfilm nu voordien
al van een mindere kwaliteit was, of zelfs in zeldzame gevallen
bij mensen met een voordien normale tranenfilm, kan er nadien een
relatieve uitdroging van het oog optreden. Dit geeft soms het gevoel
alsof er zandkorrels in het oog zitten. Door de relatieve uitdroging
van het oog kan de traanklier ook gestimuleerd worden, hetgeen tranenvloed
veroorzaakt. Deze complicatie kan, indien aanwezig, zowel matig
storend als erg hinderlijk zijn. Bij voorbeschikte patiënten
wordt dit probleem op voorhand besproken. In elk geval bestaat de
behandeling uit kunsttranen, en eventueel punctumplugs. Spijtig
genoeg bestaat er geen waterdichte methode om het optreden van deze
verwikkeling te voorkomen. De hinder hiervan vermindert echter in
de meeste gevallen na enkele weken tot maanden.
5. Slechter zicht
Wanneer de kromming van het hoornvlies niet ideaal is, kan dit meer
storend worden na ptosischirurgie, vermits er dan kan gezien worden
doorheen een groter oppervlak van dit hoornvlies. Dit is echter
erg zeldzaam. In enkele gevallen kan het zelfs nodig zijn nadien
de brilsterkte of contactlenssterkte aan te passen.
|
|